Ellen wurmt zich weer in haar jurk, pakt de sleutel

“Ellen wurmt zich weer in haar jurk, pakt de sleutel van het hangslot, opent een van de koffers en pakt er een doosje condooms uit met het etiket Groene Mamba. Met de condooms onder haar arm en het pasje van haar kamerdeur in haar zak, neemt ze de lift omlaag en loopt ze via de hoofdingang naar buiten. De nacht is warm en aardedonker. Er is geen maanlicht. De nachtportier, die op zijn stoel onder de lamp is ingedommeld, staat haastig op en zegt:

– Een taxi, mevrouw?

– Nee, ik ga alleen een stukje lopen.

– Lopen? Op dit tijdstip? Dat lijkt me niet zo verstandig.

– Niets aan de hand. Ik ben zo weer terug.

De portier vraagt zich af of het bij zijn werk hoort idioten die iets stoms van plan zijn eventueel met harde hand tegen te houden, maar besluit dat dit waarschijnlijk niet het geval is. Maar mocht de vrouw de omgeving van het hotel verlaten en de straat op gaan, dan moet hij de receptie onmiddellijk waarschuwen. Dapper loopt Ellen verder over het grintpad. De bewaker in het wachthuisje, druk bezig de activiteiten in de straat te negeren, krijgt opeens iets anders interessants in het oog. Een blanke vrouw die in volle vaart op hem af komt lopen.

– Een taxi mevrouw?

– Nee, bedankt.

Ellen loopt naar de groep die onder een lantaarnpaal uit een pak bier van een goedkoop merk staat te drinken. Het jongste meisje, met nauwelijks zichtbare borsten in haar diepe decolleté, ziet haar het eerst. De andere meisjes kijken op en de drie jonge mannen in de roestbak zonder uitlaat fluiten uitdagend. Ze overstemmen bijna het ronken van de motor. De andere wagen, een goed onderhouden auto met vierwielaandrijving van een ontwikkelingswerker, gaat er als een haas vandoor. Het zal niet, denkt Ellen, terwijl ze zich afvraagt of het iemand was die ze kent.

– Wat wil je? vraagt een van de meisjes. Ze klinkt zowel stoer als angstig.

– Ik kom jullie alleen een cadeautje brengen, zegt Ellen, terwijl ze de doos condooms tevoorschijn haalt. Als jullie hier werkelijk willen rondhangen, gebruik deze dan in elk geval.

– Wat heb jij daarmee te maken? vraagt een van de oudere meisjes op agressieve toon. Ze heeft een kunstig opgestoken kapsel en draagt rode sandaaltjes met hoge, schuin aflopende hakken. Donder op naar je chique hotel en hou je ‘cadeautjes’ bij je. De jongens in de auto lachen hard, de bestuurder toetert en de meisjes komen rond Ellen staan. Ze lijken niet erg dankbaar, denkt de portier in het wachthuisje, eerder geïrriteerd. Hij moet ingrijpen voor het mis gaat. In het wachthuisje hangt een geweer. Hij haalt het tevoorschijn en sjokt op de groep af. De meisjes gaan ervandoor en de gammele auto met een ronkende uitlaat scheurt weg.

Ellen kijkt verbaasd naar de bewaker met zijn wapen.

– Dat was helemaal niet nodig, zegt ze, terwijl ze zijn bedoeling wel snapt.

– Oké, zegt ze tegen de bewaker. Neem jij ze maar – ze geeft hem de kartonnen doos – en geef ze aan de meisjes als ze wat zijn gekalmeerd.

– Natuurlijk, liegt de bewaker.

Met kaarsrechte rug loopt Ellen terug naar het verlichte hotel en gaat door de draaideur naar binnen.

– Idioot mens, briest de portier.

De sterkste jeugdherinneringen heeft Ellen aan de zondagse lunches. Niet omdat de maaltijden zo uitzonderlijk gastronomisch waren, ze bestonden meestal uit ingeblikte haring met amandelvormige aardappeltjes, of omdat het altijd zo gezellig was, maar misschien omdat iedereen thuis was. Of beter gezegd, omdat haar vader thuis was.

Op andere dagen zaten er meestal alleen vrouwen aan tafel, mamma, Ellen, Kristina en Maria. In haar herinnering was haar vader zelfs op zaterdag nooit thuis. ‘Bijeenkomst’, of ‘cursus’, of ‘vergadering’, of ‘zakelijk diner’, werd er gezegd. Ellen heeft zich wel eens afgevraagd of er misschien iets heel anders aan de hand was, of haar vader misschien een dubbelleven leidde, maar dat gelooft ze uiteindelijk toch niet. Haar vaders minnares heette de Arbeidersbeweging.

Hij ontbeet weliswaar thuis, maar zat dan altijd weggedoken achter het Västerbottens Folkblad. Hij las, gaf commentaar, at zijn havermoutpap en slurpte. Als hij niet thuis was en hun moeder niet luisterde, imiteerden de meisjes hem. Op zijn analyserende uiteenzettingen over de situatie in de wereld en in zijn gemeente verwachtte hij een instemmend gehum, in ieder geval van zijn vrouw. Als hun moeder niet reageerde, liet hij zijn krant zakken en keek haar dwingend aan, waarna ze snel begon te hummen, zelfs als ze bij het fornuis met haar rug naar hem toe stond. Ook als ze niet bewust luisterde naar wat er om haar heen werd gezegd, stond haar antenne voor het opvangen van krantengeritsel op scherp. Als het geritsel op een bepaalde manier werd onderbroken, wist ze dat ze moest hummen. En dus humde ze. Toen de meisjes ouder werden richtte hun vader zich soms tot hen, meestal tot Ellen, die de oudste was.

– Wat vind jij hiervan? Is het niet schandalig?”